Spannend

En, vind je het spannend? Die vraag werd me de afgelopen weken veel gesteld. Eh, nee? Wat ís spannend dan, heb ik een eigen soort spannend, of is het er sluipend, onbewust?

  • Spannend is, heb ik altijd gedacht, iets tussen angstig en vrolijk in, het gillen in de achtbaan. Maar die aantrekkingskracht heb ik ook nooit zo goed begrepen. Geef mij het Sprookjesbos maar.
  • Spannend is misschien wel meer dan een achtbaan, daarvoor kíés je immers, het is een woord bij je blootgeven, je uitspreken, je verheffen. Om van pretpark- naar oorlogsmetaforen te gaan: dat kan een nederlaag (angst) of overwinning (blijdschap) betekenen.

Helm op!

  • Spannend is, zo gebruik ik het in recensies, een spel met verwachtingen: hoe zit het nu, wat schuilt er achter deze deur? (Ik heb ‘spannend’ gebruikt bij Luiselli’s De gewichtlozen (dat toch behoorlijk verliteratuurd is) en Sarah Halls De komst van de wolven, dat in retrospect voelt als een heel organisch boek. Spanning is voor mij dan ook een boog, een kwestie van hoe een schrijver de aandacht vasthoudt, meer dan de angst voor die moordenaar. Maar goed, als het — weer een metafoor — een boog is, dan schiet die pijl morgen weg.

Zo spannend voelt het nu niet, de enige deadline is die voor een praatje tijdens de boekpresentatie, en praatjes schrijven en uitspreken kan ik wel, doodangst is er niet. Vanwege de beperkte capaciteit is het feestje besloten, dus ik ken iedereen die komt, het is misschien niet de gedroomde reünie van mijn moeders leven (Amsterdam is ver, zeker als je op leeftijd bent en je lijf het af laat weten), maar wel míjn feest.

Het was nota bene mijn directeur die de vraag stelde, de directeur van de boekhandel én de uitgeverij (niet zo uitgemikt, althans niet door mij). Ze komt dagelijks mensen tegen die bijna een boek hebben.

En ik legde uit: híér ben ik wel onrustig over. Ik weet niet of dit boek goed genoeg is, literair genoeg, interessant genoeg, geslaagd kortom volgens mijn maatstaven, zelfs nadat ik door een groot aantal meelezers daarin bemoedigd ben. En nu gaan mijn gelijken, de vertrouwde — ik ben geen netwerker, maar in commissies en jury’s heb ik tal van schrijvers en critici als collega gehad — en de vreemde — maar lang niet iedereen — het lezen. En beoordelen. En nu is de regel dat je een beroerd debuut niet neersabelt maar de vergetelheid gunt, dus ik vrees de stilte.

En dan kan ik definities spuien en rationaliseren wat ik wil, maar Maite Karssenberg, mijn oud-collega (van boekhandel én jury), geprezen in recensies, op de shortlist van de Geschiedenisprijs en de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs, sprak uit eigen ervaring: ‘Ja spannend, hoe je je ook voorbereid, die meningen en recensies die gaan komen zijn vrij zenuwslopend. Op een soort onbewuste manier.’

Ja. Dat verdomde onderbewuste. Een sluipmoordenaar met een pijl en boog.

Morgen, 21 oktober dus, vraag naar het boek bij je buurtboekhandel.