Schrijfweek: Rossum (1)

Ik ben aangekomen in Rossum, ondanks dat de buschauffeur mijn bushalte doodleuk overgeslagen had. Ik heb aan de keukentafel met Hans koffie gedronken en bijgepraat, hij heeft me mijn logeerkamer laten zien en de verbouwingswerkzaamheden, en nu zit ik onder de infraroodlamp in Maartjes kamer, een kleine ruimte halverwege de trap, met één raam zonder uitzicht, maar een breed houten bureau en een scherm dat ik kan aansluiten. Zij kwam net ook nog even langs, nu werk ik alleen aan weer hetzelfde hoofdstuk. Ik moet structureler aan de slag, maar ik denk dat de tekst ook beter wordt als ik er telkens doorheen loop. Hij is alleen te lang om in één dag te herzien, dus er blijft een ongelijkmatigheid in. Maar mijn streven moet zijn een verhaal te vertellen, van de zoektocht, en dat lijkt me wel haalbaar, om het zo te herschrijven.

12.55

Stukken herschreven tot en met hoofdstuk 4. Het blijft wel erg citeerderig, misschien moet ik er morgen maar weer eens doorheen.

13.47

Geluncht met Hans en Maartje. Maartje stelt kritische vragen. Waarom het niet meer fictie wordt. Of er niet ook meer gevoel in moet, meer confrontatie. Wat ik nou eigenlijk wil met het boek, wat is mijn bedoeling ermee. Dat dat me zal helpen bij het vinden van een goede vorm. Ze heeft natuurlijk gelijk, maar.

Maar wat? Maar ik vind dat best lastig, die waaromvraag. Ik ben ooit begonnen met dit project om te kunnen schrijven, om een boek te kunnen maken, heel ambachtelijk, weinig verheven. Maar dat overtuigt niemand, natuurlijk. Dus ik verzon: om te kunnen schrijven over het gezinsleven, dat wat minder zichtbaar is, waar literatuur niet over gaat. Dat doe ik uiteindelijk amper, omdat dat moeilijk te reconstrueren is of simpelweg ook niet zo interessant. De openingszinnen van dit moment ('Mijn moeder stierf voor ik zeventien werd, meer dan vijfentwintig jaar geleden. Ik wil weten wie zij was.) zijn het kansrijkst voor een interessant verhaal, maar: 'Ik denk dat ik nu een idee heb, na jaren vragen stellen, verhalen beluisteren, agenda's, brieven, fotoboeken lezen en bekijken. Maar het verhaal is nog niet af.'

Het onderzoek is minder interessant geworden voor mij, ik heb nu wel een beeld, en het beangstigt me wel om de schijnwerper nog een stukje meer op de verteller en onderzoeker te zetten. Het is hier wel comfortabel, achter de stapels agenda's en brieven en fotoboeken, ik kan lekker citeren en beschrijven, laat de lezer het maar uitzoeken. Ik moet het spannender maken, nóg ongemakkelijker, en vooruit, dan moet ik zelf maar meespelen. Het plan voor nu:

  1. Een tweede (of derde, na de uitvaart) hoofdstuk schrijven waarin ik me afvraag waarom die vragen zolang op de plank hebben gelegen. (Simpelweg omdat haar dood een gegeven was, en een goede manier om bij meisjes een gevoelige kant te suggereren, ik heb het nota bene in de openingszin wéér gedaan. Maar er moet wel meer zijn.) En dan bedenken wat daarna zou kunnen komen.
  2. Kijken wat ik uit het Amerikaanse reisverslag kan halen.
  3. Herschrijven hoofdstukken naar verhalender.

1 en 3 kunnen parallel lopen, ik verwacht dat als de route die ik met 1 insla vruchtbaar blijkt, ik toch wel stukken uit de huidige structuur zal blijven gebruiken. En die kunnen dan maar beter zo goed mogelijk geschreven zijn.

16.12

Terwijl ik het naar wierook riekende Amerikaverslag doorwerk (allicht beter dan tabaksrook), probeer ik de waaromvraag van Maartje te beantwoorden. Ik twijfel of het een hoofdstuk wordt, maar het past even goed hier als in dat aparte bestand.

Ik wil weten wie zij was, en naarmate ik meer te weten kom, zou ik haar graag beter leren kennen. Ik geloof niet dat ik aan haar tippen kan, maar ik bewonder haar wel, om haar ironische teksten en ronde letters, haar oprechte betrokkenheid die bijna omslaat in dienstbaarheid maar even vaak in luid protest. Ik kan haar niet helemaal volgen in haar keuzes, maar ik smul van haar zinnen, en ik geniet van de intimiteit die niet voor mij bedoeld is. Misschien wil ik dat wel vertellen. En ook: hoe een leven een verhaal wordt, dat terugkerende data gaan rijmen, er thema's ontstaan die je als hoofdpersoon misschien nooit had gezien. Maar dat is denk ik te bewust voor een gewoon verhaal, dat is een essay, geen memoir.

Er valt een groot gat tussen de uitvaart en het eerste begin aan dit boek, twintig jaar, en ik moet bekennen dat de vragen over José pas echt in 2018 opkwamen. Waarom? Ik denk dat ik niet veel heel goed kan, maar ik kan schrijven, en ik ben er ook van overtuigd dat je over alles schrijven kan, dat alles de moeite waard gemaakt kan worden. Het omgekeerde willen we graag geloven, dat we lezen over dingen die de moeite waard zíjn. Het kan allebei, denk ik, en je kan je pen gaan volgen en zo opgaan in je onderwerp dat er geen licht meer is tussen het maken en het zijn: dit is essentieel, het mooie en het schone en het ware.
Als dat zo is, dan is daarmee deels te verklaren dat mijn nieuwsgierigheid pas jaren later urgent werd, als onderdeel en uitkomst van mijn wens te schrijven.

Nu was ik in 2018 natuurlijk ook dichterbij haar positie in het leven gekomen: een partner voor het leven, jongende kinderen, een vaste, niet per se kostendekkende baan. Er waren veel verschillen, maar een zekere gelijkwaardigheid, die ik al jaren bij mijn vader bevocht en niet kreeg want ik bleef zijn kind, was inmiddels mogelijk geweest. Ik zag met jaloezie hoe vriendinnen nog twintig jaar met hun moeders hadden gehad, en echt meer tijd met ze hadden kunnen doorbrengen - voor zij ook stierven. In 1998 was ik nog lang niet af van de apathie van de tiener, en liet ik me met genoegen en gemak afleiden van grotere levensvragen door alles wat er wel en niet toe deed, van Latijns idioom tot meisjes.

Misschien lag de oorsprong ook buiten mij: de non-communicatielijn van vóór Josés overlijden werd daarna voortgezet, rouw en verdriet was zo vanzelfsprekend dat we het er niet over hadden, en als we het erover hadden, was er maar één manier, die van Stoffel: sentimenteel, staccato. Geen vragen stellen. Dus dat deed ik niet. Dit boek is daarom in gelijke delen een uitvoering van Stoffels wens en een uitdaging daarvan.

17.31

Of schrijf ik dit boek om een familie op te roepen, om een gemeenschap te herstellen? In ieder geval was het boek een geweldig excuus om mensen weer op te zoeken, ze vragen te stellen.

17.55

Goed. Hoofdstuk 5 ook doorgekeken, maar ik kom niet tot wijzigingen. Volgens mij - vermoeid en hongerig inzicht - moet ik de boel veel meer omgooien. Chronologischer volgens mijn zoektocht dus logischer is om te beginnen zoals ik begonnen was, en dan te gaan schuiven: Bas en Tessa, Kees Jan, Stoffel (verliefdheid, Blackpool), René en Stan, Gwen... en dan? F. in ieder geval veel later.

  • Dan moet ik meer vooruitwijzen: 'Dit is nieuw voor mij, hij begint over een affaire.'
  • Tussendoor meer over de fysieke bronnen, het ongemak bij het dagboek, de vertedering bij de brieven, de aanstekelijke lol van het reisverslag, hoe de foto's José tot leven brengen. De schrijfplekken.
  • En ook: wie ben ik op het moment van het interview? De eenzaamheid van het project, van het treinen en fietsen, van het geen zicht hebben op resultaat.
  • Dan moet ook de burnout erin, de periodes dat ik niet tot schrijven kom omdat er werk is, en gezin, er altijd een excuus is om geen kunst te maken, of in ieder geval niet iets leesbaars.
  • De OV-fiets als een running gag, het zadel staat nét te hoog of te laag.

Ja, nieuw document morgen.

Aantekening in het bestand MJ-2024-schrijfdagboek.txt. (Voor wie dit bericht bereikt vanuit een overzicht: de foto die je zag is een plaatsvervangende foto. Er stond eerst iets blauws met een schilderpalet. Nu is het een van de foto's die Stoffel in de tweede helft van de jaren zeventig maakte van José, een van de foto's op het omslag. Een grappige foto, maar ook één die me er vooral op wijst dat ik wél relevant beeld moet zoeken.)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *