Verziend

Vandaag las ik in NRC een stuk van Dave Schut, ‘Hoe beter je iemand kent, hoe slechter je iemand ziet’, een stuk met een goede premisse, maar ik kwam niet dichterbij een oplossing. Zijn punt: de persoonlijkheid, de rol of je gevoel voor iemand staat in de weg van het échte kijken. Een soort verziendheid.

Bestel het boek bij Athenaeum
Bestel via Libris.nl

Ik vind Schuts stelling interessant, want ik denk dat hij verder gaat dan kijken: door de nabijheid van je geliefde, je kind, maar ook een collega, zie je die persoon ook in overdrachtelijke zin minder goed. Wat weet je van die persoon met wie je uren, dagen, weken doorbrengt? Van een jeugd, wat hij leest, waarvan hij daadwerkelijk enthousiast wordt? Ik geloof dat dit vooral geldt voor onze ouders. Ze zijn je vader en moeder, vanzelfsprekend, onvoorwaardelijk, en dat volstaat. Ze staan te dichtbij je, je krijgt je blik niet scherp gesteld op ze.

Terzijde: bijziend

Op twee foto’s die ze 8 januari 1991 dateerde — ik was dus negen — beschrijft José hoe ik na een vol van mijn fiets mijn pols gebroken blijk te hebben. Telefonisch consult met de huisarts wijst op een kneuzing, maar grote dank aan mijn tante Maartje, die ‘vindt Daans pols er vreemd uitzien...’

‘Diezelfde woensdag halen we Daans bril! Op advies van de (oog arts) [ik begrijp de spatiëring hier niet, DS] schooldokter gingen we 3 januari naar de oogarts. (Dat nooit weer, we moesten zo lang wachten!) Ja, bijziend! Een bril dus. Wij vinden deze erg leuk staan...!’

Dit is zo’n passage die ik in het boek niet citeer, want José beschrijft vooral, en ik vind beletseltekens (sorry Koen Koole) geen prettige leestekens. Wel herken ik het ‘dat nooit weer’, dat José later zal zeggen over chemokuren. Ze schrijft overigens niet welk boek ik hier lees, het is behoorlijk dik — zat ik toen al in de Lemniscaat, 13+-boeken?

Een gunstig geheel

Een van de grote omissies in mijn leven als lezer is Jonathan Franzens De correcties, een boek dat steevast op de beste-boeken-van-deze-eeuw-lijstjes staat (maar wat van vóór Athenaeum.nl is, ik heb er nog steeds niet redactioneels bij te linken). Schut heeft het gelezen, en hij citeert uit de vertaling van Gerda Baardman en Huub Groenenberg:

‘Ze was altijd een knappe vrouw geweest, maar voor Chip was ze zozeer een persoonlijkheid en zo weinig iets anders dat hij zelfs als hij haar recht in haar gezicht keek geen idee had hoe ze er echt uitzag.’

Dit gaat over een zoon en een moeder. Het veronderstelt dat Chip bij andere mensen wel een goede kijker is, haren, oren, ogen, puntje van de neus wél ziet, ze kan beschrijven tot in detail. En dat dat dan betekenisvol is. Maar betekenis is vaak gekoppeld aan die persoonlijkheid, aan gevoel: de lach van S. is betekenisvol door de lichtheid die ze aan dingen geeft, de rimpels heb ik zien ontstaan, ik weet wie er verantwoordelijk voor zijn (ook veel geliefden!), haar oogkleur doet er minder toe dan hoe ze veranderen als ze iets echt leuk vindt.

Schut illustreert met veel voorbeelden uit zijn eigen omgeving dat we geneigd zijn een gunstig geheel van mensen om ons heen te maken, waarbij de delen wegvallen: de minder mooie details, de veroudering, de morele manco’s (een voorbeeld uit de serie Breaking Bad). En laat zien dat, met de analyse van Gertrud Stein, Picasso dat juist niet deed, en elementen los van elkaar schilderde. Onherkenbaar, en waarachtig in de details.

Vér- en bijziend zijn

Volgens mij is dit mijn probleem als biograaf van een dierbare: ik ben verziend op het moment dat ik het over ‘mama’ heb, haar persoonlijkheid, haar rol overspoelt me (zoals toen ik haar stem weer hoorde, vervreemdend vertrouwd), maar ontkom niet aan iets van bijziendheid als ik ‘José’ tot in de details van de beschreven bronnen volg. Wie ze daadwerkelijk voor mij is, zal een combinatie van beide beelden zijn, van het geheel van gevoel en alle gedetailleerde delen. En misschien krijg ik ze wel nooit écht bij elkaar. Tegelijk geloof ik dat dat voor niemand zo is.