Wat doet dat nou, zo’n voorpublicatie, voor je boek? En waarom dit stuk? Sinds vandaag staat een deel van het tweede hoofdstuk van De mensen die mijn moeder was op athenaeumscheltema.nl.
Het is een gelegenheid waarbij mijn verschillende rollen botsen. Als webshopmanager zorg ik voor online luchtsteun bij boeken die op grote stapels of in de etalage komen te liggen. Mijn boek is geen Johnnie Walker of Antizionisme en al helemaal geen Begin midden einde, maar de bestelde aantallen rechtvaardigen wel wat extra aandacht. Dat kan in de vorm van fragmenten, recensies, interviews, vertalerstoelichtingen of blogs. Of simpelweg opname in een van de boekenlijsten op onze site. De minst ingewikkelde (maar ook minst uitgesproken) vorm is een voorpublicatie, waarbij ik vaak kies voor de eerste pagina’s — die moeten bij het echte boek immers ook de lezer overtuigen tot doorlezen.
Als schrijver voel ik me vereerd dat ik een plekje krijg na Anne Carson en Elif Shafak. Ik voel me ook ongemakkelijk bij de belangenverstrengeling, maar ik troost me door te zeggen: je bent wel consequent belangenverstrengeld. Ex-collega’s, zoals Maite Karssenberg, Bernice Vreedzaam, Maarten Asscher en Kaj Brens, krijgen ook een plekje. Vooral omdat we in die mensen en die boeken geloven, trouwens.
(Ik heb weleens geblogd over schrijvende boekverkopers...)
En werkt dat? Vast een beetje. De top 20 bestbezochte leesfragmenten op athenaeumscheltema.nl (nu schrijf ik weer als webshopmanager) zijn van Boeken van de Maand. Helden als Rob van Essen, Maite, Valeria Luiselli en Deborah Levy staan hoog. Die boeken verkochten ook goed.
Ik maak me geen illusies. Daar kom ik niet tussen (schrijf ik als schrijver, die verstrengeling is wel vermoeiend). Dus eerste antwoord: niet zoveel.
En waarom het tweede hoofdstuk? Het eerste deel van het boek, ‘De hoofdpersoon’, omvat drie hoofdstukken die stuk voor stuk als inleiding kunnen dienen.
- ‘Ze brengt die foto’s echt tot leven’ Het archief: ‘Mijn moeder stierf vlak voor ik zeventien werd, meer dan vijfentwintig jaar geleden. Ik wil weten wie zij was.’
- ‘Mijn liefje wat wil je nog meer!’ De laatste weken: ‘Ik ben blij met mijn rijke leven, maar verdrietig dat ik er niet mee door kan gaan. Op 3 juli 1998 is overleden Marie-José Christine Geraldine van de Weijer, geboren 26 september 1953. Nog kaler: ze was nog geen 45.’
- ‘Mijn hart een moordkuil’ De geheimen: ‘Er is iets misgegaan. Ik ben geen fan van het genre van de biografie.’
Die eerste zinnen van 1 en 2 zijn eigenlijk heel vergelijkbaar, realiseer ik me nu (derde rol: lezer). In het eerste hoofdstuk introduceer ik na mijn broer en zus de hele kringverjaardag van geraadpleegde getuigen en Josés rollen, in het tweede beschrijf ik de laatste fase van Josés leven, in het derde denk ik na over het waarom en hoe van dit boek. Voor elk van mijn meelezers was een ander hoofdstuk de ideale inleiding, maar samen vatten ze wel samen wat het boek is: de mensen, mijn moeder, de zoektocht.
(Ik heb lang mijn eigen literaire kritiek primair gelezen als essayistische inleidingen, eigenlijk vooral te lezen mét het boek erna of ernaast. Het consumentenadvies vond ik altijd lastiger. Dus wil ik nog een keer een boek schrijven met als titel Inleidingen, over verloskunde en literatuur. In de terminologie van bevalling en geboorte staat ‘inleiding’ voor een met medicijnen of een andere ingreep opgewekte bevalling, en daar valt wel een spel mee te spelen om de kloof te overbruggen naar essays over geweldige boeken of oeuvres. Maar vooralsnog word ik wat moe van een project als dit.)
Inmiddels is de ver- of omstrengeling wel opgelost, maar ik begin nu weer te twijfelen of ik niet voor hoofdstuk 3 had moeten gaan, als kanttekening bij wat het omslag uitstraalt.
