Afgelopen donderdag werd De mensen die mijn moeder was gepresenteerd bij Athenaeum — ik schreef er al over — en sprak ik zelf ook, over begin en einde, het schrijfproces, de titels en de mensen die ik wilde bedanken.
1. Het begin
Van de drie motto’s aan het begin van De mensen die mijn moeder was, komt er een niet terug in het boek zelf. Dit is geen quiz, maar een manier om te zeggen dat ik niet zo goed weet hoe te beginnen.
‘Ik was op zoek geweest naar iets van een begin. Misschien vreemd om zoiets te verwachten van de tijd of van het leven: de kans om te beginnen, of om opnieuw te beginnen. Het enige wat ik hoefde te doen, tenminste, dat dacht ik, was een eenvoudige vraag beantwoorden: hoe vind ik het opnieuw uit, het verhaal, onze levens? Voorlopig waren het alleen zij en ik.’
Dat is van Valeria Luiselli, een andere literaire held van me, uit Begin midden einde (vertaling Nicolette Hoekmeijer en Molly van Gelder). Mijn eenvoudige vraag is vanmiddag: hoe heeft het zo lang geduurd?
Ik bedoel: vanaf het eerste gesprek in 2018 met Stoffel, mijn vader, de man van José, tot nu is toch een flinke periode. In die tijd kun je, zoals P., de basisschool doorlopen. Je kunt corona, een reorganisatie en promotie overleven. Je kunt uit een redactie stappen en in vier jury’s zitten. Ik kan dat.
Misschien helpt het om te kijken naar hoe dit boek zelf telkens opnieuw uitgevonden is. Ik geloof dat op het contract dat ik een paar jaar geleden bij Josje Kraamer tekende, stond:
- Mijn moeder was een zwemmer
Ik ben er nog steeds enthousiast over, maar a) op basis waarvan is iemand een zwemmer? Volstaat het water-enthousiasme van een jong meisje en het sociale zwemmen van een veertiger? Daar kun je vragen over stellen die het boek hebben gehaald. En b) er zit te veel vaagheid in.

Dus langzaam verdween die titel naar de achtergrond. Het werd jarenlang:
- Het boek José (1953-1998). Een zoon, zijn moeder, de zoektocht, het hele pakket van twijfel

2. De laatste en eerste woorden
Redelijk volledig, vond ik. Ik realiseerde me al wel dat er met deze titel amper ruimte voor mijn auteursnaam op het omslag zou zijn, maar ja, wie kent nou Daan Stoffelsen? Behalve jullie?
Het hele pakket van twijfel is een frase die ik van José geleend heb uit haar laatste brief aan Jan Kees Vonhoff, die zou spreken op haar uitvaart. Haar ‘feestje’, zoals ze het tegen beste vriendin Willy noemde.
Ze opent die brief met de woorden ‘In één woord: prachtig! Precies het hele pakket van twijfel, of zelfs nog sterker misschien: cynisme?’ Jan Kees heeft een passage uit Prediker gekozen, een tekst die even canoniek als humanistisch is en zowel Stoffels christelijke ouders als Josés agnosticisme tegemoet komt. Die brieven treffen me weer bij herlezing: ze noemt een mogelijke ontmoeting met haar vroeggestorven vader ‘een fantastische bonus’ - al gelooft ze er niet in. Ze beschrijft dat Bas en Stoffel voetbal kijken, dat Tessa slaapt, en dat ik met een vriend een tuinfeest vier. ‘Ik hoop dat hij ook geniet.’
Ruim een week later overlijdt ze.
Maar hoe ze stierf is niet het enige verhaal dat ik wil vertellen. Er zijn ingewikkelder vragen. Hoeveel mensen kan je zijn? Wie was mijn moeder in al haar rollen? Hoe veranderde ze? Wat was belangrijk voor haar, waarover juichte ze, waarover zweeg ze?
Zoals die brief aan Jan Kees de laatste tekst in het Archief José is, zo is de opening van haar tienerdagdagboek de eerste. Ze was twaalf.
‘Ik zal me eerst even voorstellen, dat hoort. Marie-José, Geraldine, Christine van de Weijer. Alleen de naam al doet je t’ergste verwachten maar ik zal je een goede raad geven, de eerste en de laatste, je kan je nooit genoeg voorbereiden als t’mij betreft.’
Overigens is dat dus niet de daadwerkelijke volgorde van haar namen, ik heb zo’n beetje iedereen in die acht jaar minstens één keer moeten corrigeren. De keren dat ik zelf gecorrigeerd werd, zijn ontelbaar.
Ze geeft een weinig welwillende beschrijving van zichzelf, en eindigt met:
‘Al met al is ‘t niet veel en ik hou er dan ook een stuk of wat minderwaardigheidscomplexen op na. Maar ik heb goede hoop dat mijn uiterlijk iets beter zal worden met ‘t stijgen der jaren.’

3. De Boeken José
Ik ben verliefd op dit soort frases: ‘een stuk of wat minderwaardigheidscomplexen’, dat illustreert een heerlijk oorspronkelijk denken.
En ik was dus erg gehecht aan dat pakket van twijfel, het voelt als iets van alleen haar en mij. Maar de frase gaat meer over mij dan over haar, want ze was eerder de cynicus in deze dan de twijfelaar. Ik vermoed dat met het stijgen der jaren voor mij de rolomschrijving ‘essayist’ blijft hangen. Op mijn grafsteen mag komen: ‘Hij probeerde het tenminste.’
Ik sprak met mijn redacteur, Thijs, en bedacht tijdens dat gesprek — ronduit socratisch, Thijs, je bent een vroedvrouw van ideeën — dat meer dan twijfel het zwijgen Josés levensloop markeert. De stiltes die ze liet vallen, en waarvoor ik weinig aan het Archief had, maar veel meer aan haar vrienden en familie, die stiltes gingen over belangrijke zaken. Even zo goed kun je betogen dat ze haar grenzen daarmee markeerde, tussen intimi en buitenstaanders, privékring en werk, tussen besluiten en twijfels.
Nieuwe titels:
- De stiltes van mijn moeder
- De vier stiltes van mijn moeder. MJ (1953-1998) en het hele pakket van twijfel
- De stiltes van mijn moeder. MJ (1953-1998), en de zoektocht van een zoon
- ‘M’n hart een moordkuil.’ (uit het dagboek)
- ‘Wat zal de toekomst brengen?!’ (dat schreef ze toen ze hoogzwanger van mij was)
Niemand heeft me op de Spiderman-afkorting gewezen, er had nog wat populaire cultuur in gekund.
Thijs kwam telkens terug met suggesties en bezwaren, tot de stiltes het onderspit delfden en een ondertitel het tot hoofdtitel bracht: De mensen die mijn moeder was.
Ik heb nog geprobeerd enorme ondertitels, met Josés hele naam of het ronduit dramatische Het verdriet, het zwijgen en het rijke leven van José (1953-1998), in te brengen, alles om mezelf van het omslag af te duwen, maar het werd dit: een zoektocht.
4. Het dankwoord
Want dat was het. Niet alleen om het verhaal van José kloppend te krijgen, zo dicht mogelijk bij haar beweegredenen en overtuigingen te komen. Maar ook voor een vorm die recht doet aan deze vrouw, met haar vragen, haar relativeringen, haar humor en haar taal. Dit is mijn pakket van twijfel:
- Ik heb gezocht naar een afwisseling van vraagtekens en uitroeptekens, wat ik niet weet en wat ik zeker weet, tussen essay en biografie.
- Ik heb me afgevraagd of, in lijn met een mail die Cecile me stuurde, José zou kunnen leven met wat ik over haar openbaarde.
- Ik heb getwijfeld over haar motieven, in liefde, studiekeuze, tuinderij, gezinsuitbreiding, behandeling.
- Ik heb eindeloos zitten puzzelen aan een fictief verhaal, waarin José als bij een wonder die borstkanker overleefd zou hebben en waarin we een wandeling door de duinen zouden maken, zoals op de enige foto in het boek. Maar ik kreeg haar stijl niet te pakken.
- Heb ik me genoeg voorbereid nu t’haar betreft?
Dat het toch lukte, komt door
een familie van getuigen - Bas, Tessa, René en Stanneke, Gwen, Toos & Ron, Klaas & Tine, Maartje, Gert & Marja —, ook als ze geen familie zijn - Carla, Annelies, Cecile, Willy, Wim, Klaas & Ria, Jan Kees, Henk, Hans, F. —, en het meest door Stoffel, mijn vader, papa, de man die me mijn boek gunde naast zijn eigen verhaal.
Ik ben, de enkeling die het boek al gelezen heeft, herkent het, aan het dankwoord begonnen. Ik wil nog eens een boek schrijven - nu nog niet hoor, vrees niet - over de dankwoorden die bij romans verschijnen, strikt genomen hebben ze niets te zoeken in literaire werken maar ze creëren een wereld die overlapt en echo’t, die even de schrijver in zijn gemeenschap zichtbaar maken. In zo’n dankwoord kun je de overledenen en afwezigen oproepen, stambomen uittekenen, vijandschappen bijleggen en vriendschappen herbevestigen, een kringverjaardag opnieuw creëren. Een goed dankwoord is een reünie zoals ik die zelfs op een boekpresentatie niet voor elkaar krijg.
Ik uit mijn dank.
Aan mijn schrijfkamergastvrouwen en -heren — Regina en Adriaan, Hans en Maartje.
Aan mijn scherpe en bemoedigende meelezers, uit vriendschap — S., Mijke, Bernke, Thomas, Gustaaf — en uit hartstochtelijke professionaliteit — Josje, Thijs, Vincent.
Aan S., D. en P., mijn liefste mensen, die me ruimte en tijd en steun gaven.
Jullie zijn mijn voornemen.
Omdat ik jullie niet allemaal het eerste exemplaar kan geven, wil ik me beperken tot de man zonder wie ik nog niet de helft van Josés verhaal had kunnen schrijven, de man bij wie ik begon. En tot de vrouw die in me geloofde. Sf. en S. Pap, lief.
